JURYRAPPORT 2020
Nu de Internistendagen 2020 niet doorgaan ten gevolge van de corona-pandemie en wij helaas de sessie Topproefschriften moeten missen, is het voor het bestuur van de Dr. C. J. Roosstichting en de jury een groot genoegen te kunnen mededelen dat de prijzen voor de beste dissertaties over klinisch, patiëntgebonden onderzoek ook dit jaar worden uitgereikt. In het volgende maakt de jury bekend wie van de laureaten de eerste, wie de tweede en wie de derde prijs heeft verworven.
De jury, bestaande uit, prof dr. M. M. Levi, prof dr. A. E. Meinders, dr. J. C. Roos, dr. H. M. M. Rooijackers en prof dr. J. W. A. Smit heeft uit vijftien proefschriften de drie prijswinnaars geselecteerd.
De eerste prijs is toegekend aan dr. Nienke M. G. Rorije, voor haar proefschrift getiteld Sodium-induced changes of the endothelial surface layer and microcirculation.
De water - en zouthomeostase in relatie tot de bloeddukregulatie is voor internisten een onderwerp van voortdurende interesse en uitdaging, mede omdat het renine – aldosteronsysteem geen volledige verklaring geeft voor de verschillen in zoutgevoeligheid. Glycosaminoglycanen (GAG’s) in de huid zijn in staat met hun negatieve lading natriumionen te binden, en kunnen zodoende zorgen voor zoutopslag langs niet-osmotische weg. Nienke Rorije postuleert dat de endotheellaag, die ook GAG’s bevat, wellicht eveneens een rol speelt in het wegvangen van natrium en op die manier verschillen in zoutgevoeligheid veroorzaakt.
In een uitgekiende proefopstelling bij gezonde vrijwilligers liet zij zien dat zoutbelasting door een intraveneus infuus met hypertoon NaCl na vier uur een geringere stijging van de Na-spiegel veroorzaakte dan voorspeld, en dat de Na-uitscheiding met de urine slechts ongeveer de helft was van wat verwacht mocht worden; dit suggereert Na-opslag langs niet osmotische weg. Door de microvasculaire dichtheid onder de tong te meten kon zij aantonen dat deze onder invloed van zoutbelasting in het dieet bij gezonde vrijwilligers afneemt en dat dit correleert met toename van het lichaamsgewicht door water – en zoutretentie, zonder effect op de bloeddruk. In een cross-over studie met een zoutarm dieet, gevolgd door acute intraveneuze zoutbelasting, en een zoutrijk dieet, vond zij dat de microvasculaire doorlaatbaarheid toenam na een zoutinfuus, hetgeen kan wijzen op schade aan het vaatendotheel met mogelijke consequenties voor de behandeling van hyponatriëmie.
Het onderzoek van Nienke Rorije is een voorbeeld van gedegen en systematisch onderzoek van een belangrijk pathofysiologisch mechanisme met klinische betekenis, en doet verlangend uitzien naar verder onderzoek, met name bij patiënten met hypertensie.
De tweede prijs heeft de jury toegekend aan dr. Louise C. J. de Bree voor haar proefschrift BCG vaccination; heterologous immunological and clinical effects.
BCG-vaccinatie beschermt niet alleen tegen tuberculose, maar ook tegen andere infectieziekten, door de aangeboren immuniteit te “trainen.” Het mechanisme hiervan is grotendeels onopgehelderd. Louise de Bree heeft gezonde vrijwilligers gevaccineerd met BCG. In het beenmerg vond zij aanwijzingen dat vaccinatie via de stamcellen de ontwikkeling en functie van de myeloïde reeks beïnvloedt. Voorts onderzocht zij wat het effect is op de leucocytenresponse in vitro na vaccinatie met een niet-levend vaccin als DKPT, waarvan bekend is dat het een zekere mate van immunotolerantie voor andere infectieziekten veroorzaakt, wanneer BCG vooraf, tegelijk met of na DKPT gegeven wordt; BCG heft de immunotolerantie gedeeltelijk op, mits gelijktijdig of na DKPT vaccinatie toegediend. Niet alleen de volgorde van vaccinaties, ook het uur waarop BCG gegeven wordt is van invloed op de “getrainde” immuniteit, zoals bleek uit de vergelijking van BCG-vaccinatie ’s ochtends vroeg en later op de dag. In een klinische studie werden 20 gezonde vrijwilligers met malaria geïnfecteerd onder gecontroleerde omstandigheden; 10 van hen waren te voren gevaccineerd met BCG, de anderen met placebo. De BCG-gevaccineerden reageerden met vroegere en meer klinische symptomen en hadden een geringere parasitaemie en toegenomen activatie van het afweersysteem.
Dit proefschrift verschaft ons meer inzicht in het fenomeen van de “getrainde” afweer. Door in vitro onderzoek te combineren met klinische uitkomsten van vaccinatie van gezonde vrijwilligers kunnen de onderzoeksresultaten geëxtrapoleerd worden tot praktische aanbevelingen wat betreft de volgorde van vaccinaties, en het uur van de dag waarop gevaccineerd dient te worden. Daarbij ligt het voor de hand om, nu de wereld lijdt onder de pandemie met het nieuwe coronavirus, zich af te vragen of BCG-vaccinatie niet veel uitgebreider moet worden toegepast. Dit proefschrift kan die vraag niet beantwoorden maar is een belangrijke prikkel om onderzoek hiernaar verder uit te breiden.
De derde prijs is door de jury toegekend aan dr. Tanja Dekkers voor haar proefschrift Challenging aspects of primary aldosteronism.
Eenzijdig adenoom of bilaterale hyperplasie? Dit is een belangrijke vraag omdat daaraan gekoppeld is de vraag of een patiënt geopereerd moet worden dan wel medicamenteus behandeld. Tanja Dekkers onderzocht of de CT scan als methode om dit onderscheid te maken inferieur is aan bijniervenebemonstering, een invasieve ingreep. In een multicenter gerandomiseerd onderzoek bleek, dat wanneer je als criterium hanteert de hoeveelheid medicijnen die een patiënt na een jaar nodig heeft om de bloeddruk te reguleren, niet verschilde tussen de geopereerde groep en de medicamenteus behandelde groep. De keuze van behandeling werd bij beide groepen van 92 patiënten bepaald door de uitkomst van resp. de CT-scan en de bijniervenebemonstering. De laatste groep had vooraf ook een CT-scan gekregen om de ligging van de bijnieren te bepalen, maar de uitkomst hiervan telde niet bij de beslissing om wel of niet te opereren. Een interessante bij - bevinding was dan ook dat slechts in ongeveer de helft van deze patiënten overeenstemming bestond tussen beide onderzoeksmethoden. De slotconclusie is dat geen van beide methodes alleen zaligmakend is, maar dat de CT-scan wel goedkoper en minder belastend is voor de patiënt. Voorts bleek uit eerder onderzoek dat bij het beoordelen of de catheter in de bijniervene ligt, metanefrine een gevoeliger maat is dan cortisol. Histologisch onderzoek van 53 verwijderde bijnieren leerde dat mutaties geassocieerd met hyperaldosteronisme niet alleen gevonden worden in een aldosteron producerend adenoom, maar ook in multinodulaire bijnieren, met dien verstande dat de mutatie zich beperkte tot één enkele nodulus. Dit gaf Tanja Dekkers aanleiding tot de interessante speculatie dat een strict onderscheid in éénzijdig adenoom, en multinodulaire hyperplasie misschien onjuist is en dat men mogelijk moet denken aan een meer continu spectrum.
De jury prijst ten slotte de Nederlandse samenvatting, die uitgebreid en helder het proefschrift en de achtergronden samenvat. Al met al is ook dit een voortreffelijk proefschrift, van klinisch belang.
Quisque iaculis facilisis lacinia. Mauris euismod pellentesque tellus sit amet mollis.