Afscheid Julius

(Dr. J.C. Roos)

 

Dames en heren,

De broer en de zoon van dokter Roos hebben mij gevraagd een kort woord te zeggen hier.

Iemand móet iets zeggen, iemand van al die patiënten, die hier met die gemengde gevoelens rondlopen. Die gevoelens, die ik het beste kan samenvatten met: we zien er allemaal goed uit, maar hoe lang nog?

Ik vind dat een hele eer. Waarom mij die toevalt is onzeker, misschien omdat ik één van de oudste patiënten in anciënniteit ben van dr. Roos of Julius, zoals hij door de helft van de aanwezigen hier wordt genoemd.

Mijn dossier heeft inderdaad een heel laag nummer. Het was in het begin van de jaren zeventig.

Groots en meeslepend wilde ik leven en dat kón wel, had iemand gezegd, mits je een goede internist hebt. Dus op zoek naar een goede internist.

Op een camping in Zuid-Frankrijk kwam ik een jonge Nederlandse arts tegen. Ik legde hem mijn verlangen voor en na enig nadenken zei hij: Op de Weteringschans woont een jonge internist, die net de praktijk van z’n vader heeft overgenomen. Dat zou wel eens een goede coach kunnen zijn. Hij is klein, rap en hij doet fluitend z’n werk.

Een paar maanden later stond ik tegenover hem. Die ogen, dacht ik, heb ik meer gezien. Vastberaden vriendelijk,  en ook inschattend. Ogen met in- en uitgaand verkeer, onderzoekend en tegelijkertijd geruststellend. Ik had die ogen inderdaad eerder gezien, zeven jaar daarvoor. Tegenover mij, aan het voeteneind van het kraambed, toen hij als co-assistent bij de bevalling van mijn oudste dochter was. Die is nu eenenveertig. Zo lang geleden dus.

Zo heeft ieder van ons z’n eigen eerste ontmoeting gehad met die ogen, die je onmiddellijk het gevoel gaven dat je gezien werd en gerustgesteld. Voor velen van ons was dat het begin van een eigensoortige relatie, die ver uitging boven die verhouding die je doorgaans met een specialist in een ziekenhuis hebt. Een relatie die nooit geformaliseerd werd,niet in een rubriek paste, stilzwijgend was en tot leven kwam als je het pand Weteringschans 125 betrad.

Dat huis speelt een belangrijke rol in de beleving van het fenomeen Roos. Een dokterswoning met praktijk aan huis. Hij wóónde er ook lange tijd met Lieke. Er hing een sfeer van bedaarde zorg. Voornaam en zakelijk. Een rustige bedrijvigheid van vertrouwelingen: de assistente, de laborante, de hulp. Met zorg uitgekozen vrouwen – parels van geëmancipeerde dienstbaarheid. Irene, Henny,

Petra, Ineke, de Elly’s, Ali, ik noem er maar een paar. Namen die even doen denken aan een renstal van raspaarden.

Kortom, een perfecte unit – die met informele nauwgezetheid het Julius mogelijk maakte een formidabele geneesheer – neem het woord eens letterlijk: genees – heer!  – te laten zijn, die hij voor ons is geworden. Een praktijk die zo uniek was, omdat bijna alle primaire verrichtingen die nodig zijn om tot een eerste oordeel te komen, ter plekke en à l’instant konden plaatsvinden. Wat niet alleen erg efficiënt is, maar ook een groot gevoel van veiligheid en waardigheid verschaft. Geen verwijzingen – geen loketten – geen eindeloze wachttijden – geen nare wachtkamers, waarin je je letterlijk op je nummer voelt gezet.

Beschaving dus – dat is het woord dat me telkens inviel als de voordeur achter me sloot en het geratel van de tram op de Schans wegstierf. Een moment van beschaving.

De wachtkamer van dr. Roos was in meerdere opzichten een bijzondere. In de eerste plaats omdat er zo weinig wachtenden waren. Hooguit twee à drie, maar dan wel constant. Dat betekende niet dat je nooit lang hoefde te wachten. Dat moest je soms wel, want dr. Roos nam voor iedere patiënt als het moest flink de tijd. Maar je wist, straks is die voor mij. En dan viel het wachten niet lang.

In de tweede plaats zag je er vaak bekenden, wat het gevoel gaf tot een reusachtige onzichtbare familie te behoren. Bijna iedereen op aanraden van iemand anders. Af en toe kwam de dokter naar buiten, die dan fluitend de trap afdaalde naar de röntgen. Het is me nooit gelukt te achterhalen wat hij floot. Volgens mij hem ook niet. Als hij zijn z’n ronde deed in het ziekenhuis, hoorde je hem van verre aankomen.

En tenslotte was de wachtkamer bijzonder omdat de Herald Tribune er lag. Je zult dat niet gauw ergens anders zien: een internist, die zijn patiënten uitnodigt, om vóórdat hij z’n professionele blik naar binnen werpt, eerst even de blik naar buiten te werpen, naar de wereld waarin hij leeft.

De herkomst van de conceptie, die Julius Roos had van een internistenpraktijk lag bij z’n vader, zoals door broer Carel is uiteengezet. Die deed zoveel mogelijk alles aan huis en liet Julius daarvan het instrumentarium van toen na. Julius heeft dat gemoderniseerd en aangevuld. Dol op speelgoed, was hij de eerste om zich een eigen echo aan te schaffen.

Ik herinner mij levendig hoe hij naar Engeland ging om het te leren en verrukt terugkwam: een zacht licht verspreidend als hij over echo sprak. Zodoende en in combinatie met daarop zorgvuldig uitgezocht personeel, bracht hij die unieke praktijk tot stand, waarvan je zou willen dat dit de basis werd van de gezondheidszorg in ons land. Er is een Stichting opgericht – u hebt de folder vier jaar geleden in de wachtkamer zien liggen, waarvan de doelstelling o.a. is deze opvatting van een internistenpraktijk te bevorderen en als uitgangspunt van gezondheidszorg mogelijk te maken. Tot op heden hebben we daarvoor meer sympathie dan werkelijke openingen gevonden.

En zo, dierbare Julius, - ik ga je nu rechtstreeks toespreken voordat je het gevoel krijgt bij jouw eigen begrafenis aanwezig te zijn – en zo staan we hier voor je met die dubbele gevoelens. Aan de ene kant gunnen we je van alles en het grootst denkbare geluk voor de nabije toekomst, aan de andere kant verliezen we meer dan een goede dokter. We raken in zekere zin een cultuur kwijt, waarin we ons geborgen wisten en bevoorrecht. En hier komt het knappe van jouw prestatie: terwijl jouw praktijk absoluut niet selectief was opgezet en open stond voor alle lagen van de bevolking en alle graden van welstand, creëerde je toch een gevoel van bevoorrechtheid – met enige aarzeling kan ik het “uitverkorenheid”  noemen bij de mensen die de weg naar jou hadden gevonden. Een nieuw mirakel dus: totaal democratisch en toch helemaal uitverkoren.

En daarom, Julius, ben je niet alleen een goede dokter, maar ook een groot kunstenaar geweest, die een ideëel kunstwerk van zijn professionele leven heeft gemaakt. Daarom zijn we met zovelen hier. Om niet alleen onze dank, maar ook onze bewondering aan je over te brengen. Daarom ook is er door iedereen met grote en kleine bedragen het fantastische bedrag van nu al meer dan 16.000 Euro bijeengebracht. En zo te zien komt er elke dag nog meer bij. Het is je zo van harte gegund! Doe ermee wat je wilt. Ga terug naar de schoolbanken van je jeugd en wend je tot de goden. Ze zullen met je zijn. Met jou en Sjoerd. En bekommer je niet om ons. Wij schikken ons in ons treurig lot en voegen ons bij de misdeelde rest van Nederland. Maar wèl in de geruststellende wetenschap dat jij – zoals jouw vader jou het instrumentarium van zijn praktijk naliet – op jouw beurt – ons de twee levende instrumenten nalaat van jouw praktijk in de vorm van Irene en Henny, zij die het licht hebben gezien van jouw schepping, waarmee zij – samen met je opvolgers – zullen proberen ons lot te verlichten.

Ook daarvoor bedankt.

Ik heb gezegd.

Amsterdam, 1 april 2007.   Hans van Mierlo