Hoe nu te verklaren dat sommigen toch dik worden, hoewel ze objectief toch niet zoveel eten, en anderen, omgekeerd, stapels boterhammen naar binnen werken en toch hun normale gewicht handhaven?

Dit heeft te maken met een zeer complexe regulering van de opname van calorieën en het verbruik daarvan, waarbij talrijke hormonen een rol spelen. Ten dele is dit opgehelderd maar veel is nog onbekend. Overgewicht door abnormale hormoonhuishouding is echter zeer zeldzaam en voor het gemak mag men ervan uitgaan dat overgewicht altijd betekent dat de balans tussen inname van calorieën en het verbruik daarvan verstoord is ten gunste van de opname.

In de darwinistische voorstelling van zaken zijn de soort en het individu die het surplus aan calorieën omzetten in vetweefsel beter af, omdat ze in tijden van voedselschaarste beter kunnen overleven. De meeste mensen beschikken over dit vermogen, maar bij een aantal, zoals in het hierboven gegeven voorbeeld, wordt het surplus niet in vetweefsel omgezet, maar worden de extra calorieën verbrand, en komen vrij in de vorm van warmte. Omdat de dreiging van voedselschaarste in ons deel van de wereld niet (meer) geldt, is de laatste categorie eigenlijk beter af dan de eerste. Voor beide categorieën blijft gelden dat geleidelijke verandering van het lichaamsgewicht berust op een chronische verstoring van de balans tussen calorieënverbruik en calorieëninname.

Wat nu te doen bij overgewicht?

Uit het voorgaande blijkt dat iemand met overgewicht moet beseffen dat zijn of haar calorieëninname chronisch het calorieënverbruik overschrijdt en de maatregelen nodig om te vermageren volgen hieruit met een wetmatige logica: de calorieëninname moet blijvend verminderd worden en het calorieënverbruik verhoogd. In de praktijk betekent dit:

Niet snoepen

Minder eten

Meer bewegen