Overgewicht is dus ongezond en dat geldt speciaal voor mensen die al om andere redenen gepredisponeerd zijn voor hart- en vaatcomplicaties, of al lijden aan diabetes, hoge bloeddruk of hartaandoeningen. Gewichtsreductie bij deze patiënten leidt tot een waarneembare vermindering van ziekte en sterfte.

Ook de directe hinder die men van overgewicht ondervindt is aanzienlijk. Je beweegt je minder makkelijk, je bent eerder kortademig bij inspanning, je veters vast maken gaat lastiger, soepel je been over het zadel van je fiets gooien bij het opstappen wordt een probleem en zo is er nog veel meer op te noemen.

Neem de proef op de som: vul een rugzak met zoveel bakstenen dat het gewicht daarvan gelijk is aan het aantal kilo’s dat U te zwaar bent en draag die een dag. Wees niet verbaasd als U aan het eind van die dag uitgeput bent.

Er zijn dus redenen genoeg om overgewicht te bestrijden, dus om af te vallen.

Wanneer is iemand te dik?

Het antwoord is eenvoudig: kijk in de spiegel en je ziet het.

Er zijn echter meer objectieve maatstaven. Internationaal wordt gebruikt de zg. Queteletindex (ook wel body-massindex geheten). Deel Uw gewicht in kilogrammen door het kwadraat van Uw lengte in meters. Als dit quotiënt meer is dan 25 is er sprake van overgewicht, en uiteraard meer naar gelang het quotiënt hoger uitvalt.

Voorbeeld: iemand van 1.80 m lang weegt 100 kg. Het kwadraat van 1.8 is 3.24.

100 gedeeld door 3.24 is afgerond 31. Conclusie: overgewicht.

Het ontstaan van overgewicht

Het lichaam heeft voor zijn dagelijkse energiebehoefte een zekere hoeveelheid calorieën nodig die bepaald wordt door het zg. basaalmetabolisme (grondstofwisseling) en de hoeveelheid lichamelijke arbeid die het dagelijks verricht. De grondstofwisseling is het aantal calorieën dat het lichaam nodig heeft in complete rust. Dat is dus de energie die nodig is voor het kloppen van het hart, de ademhalingspieren, de celdeling, de functie van de hersenen en wat dies meer zij. Daarbij komt het aantal calorieën dat nodig is voor de dagelijkse lichamelijke arbeid en de som bepaalt wat iemand per dag nodig heeft. De grondstofwisseling is voor ieder individu een tamelijk vast en onveranderlijk gegeven, zodat de lichamelijke arbeid vooral bepaalt hoeveel calorieën er per dag nodig zijn. Dit is het calorieënverbruik.

Daartegenover staat de calorieëninname, het aantal calorieën dat iemand dagelijks tot zich neemt. Als verbruik en inname met elkaar in evenwicht zijn blijft het lichaamsgewicht constant.

Het zal duidelijk zijn dat iemand die zware lichamelijke arbeid verricht veel meer calorieën nodig heeft dan iemand die de hele dag achter zijn bureau zit. De laatste categorie is in het nadeel wat eten en snoepen betreft, want zij kan zich veel minder permitteren dan de eerste.

Sommige beroepen zijn zo zwaar, dat het de beoefenaar niet eens lukt om voldoende calorieën binnen te krijgen: een Tour de France-renner die de tour uitrijdt is op de Champs-Elysées kilo’s lichter dan toen hij vertrok, ondanks de bergen calorieën die hij verslindt.

Dit voorbeeld dient om te illustreren dat een chronisch tekort aan calorieën leidt tot gewichtsverlies, en omgekeerd, een chronisch surplus aan calorieën leidt tot overgewicht. De uitdrukking ‘ieder pondje gaat door het mondje’ is al eeuwen geleden intuïtief gemunt, maar berust, ook bij de huidige stand van kennis, op een ijzeren wetmatigheid.